14-04-11

Homilie Benedictus XVI - Wereldjonderendagen Madrid 2011

rameaux.jpg

 

Met een aangroeiende menigte pelgrims is Jezus naar Jeruzalem opgegaan voor het paasfeest. Op het laatste stuk van de weg, in de buurt van Jericho, had Hij de blinde Bartimeüs genezen die Hem aanriep als Zoon van David en Hem om medelijden smeekte. Nu hij kon zien, had hij zich dankbaar bij de pelgrims aangesloten. Wanneer Jezus aan de poorten van Jeruzalem op een ezel gaat zitten, symbool van Davids koningschap, barst een vreugdevolle zekerheid los onder de bedevaarders: Hij is het, de Zoon van David! Zij begroeten Jezus dus met een Messiaanse uitroep: "Gezegend de Komende in de naam van de Heer. Geprezen het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in den hoge!"


 

We weten niet goed wat de enthousiaste pelgrims zich bij het komende koninkrijk van David voorstelden. Maar wij, hebben wij de boodschap van Jezus, Zoon van David, werkelijk begrepen? Hebben wij begrepen wat het koninkrijk is van Degene die sprak tijdens de ondervraging door Pilatus? Begrijpen wij wat het wil zeggen dat dit koninkrijk niet van deze wereld is? Of misschien wensen wij integendeel dat het wel van deze wereld zou zijn?

 

De evangelist Johannes geeft, na het verhaal over de intocht in Jeruzalem, een reeks uitspraken van Jezus waarin Hij het wezenlijke van dat nieuwe Koninkrijk uitlegt. Bij een eerste lezing van die teksten, kunnen we drie verschillende beelden van het koninkrijk onderscheiden waarin hetzelfde mysterie telkens anders weerspiegeld wordt.

 

Johannes vertelt vooral dat onder de pelgrims die tijdens het feest God wilden aanbidden, Grieken waren. Het ware doel van deze pelgrims is het feit dat zij God willen aanbidden. Dat stemt volledig overeen met wat Jezus ter gelegenheid van de reiniging van de tempel zegt: "Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volkeren."

 

Het ware doel van de bedevaart moet zijn: God ontmoeten; Hem aanbidden en zo aan de fundamentele relatie in ons leven de juiste richting geven.

 

Grieken waren mensen die op zoek waren naar God, door hun leven waren ze op weg naar God. Nu lieten ze door bemiddeling van twee apostelen die Grieks spraken, aan de Heer vragen: "wij zouden Jezus graag spreken". Grote woorden. Geliefde vrienden, daarom zijn wij hier bijeen: we willen Jezus zien.

 

Wat heeft Jezus toen gezegd en gedaan? Uit het evangelie komt niet duidelijk naar voren of een ontmoeting tussen deze Grieken en Jezus heeft plaatsgehad; Jezus’ blik gaat veel verder. De kern van zijn antwoord op de vraag van die mensen is: "als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen; maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort. "Dat betekent: het is niet een zoveelste gesprek met personen die daarna terug naar huis gaan. Zoals de graankorrel die sterft en verrijst, zal Ik op een totaal nieuwe manier komen en boven de grenzen van dit ogenblik uit, om de wereld en de Grieken te ontmoeten. Door zijn verrijzenis overstijgt Jezus de grenzen van tijd en ruimte.

 

Als Verrezene is Hij op weg naar de ruime wereld en geschiedenis. Ja, als Verrezene gaat Hij naar de Grieken en spreekt Hij met hen, toont Hij zich aan hen zodat zij die veraf waren, dichtbij komen en precies in hun taal, hun cultuur wordt zijn woord op een nieuwe manier gebracht en op een nieuwe manier begrepen: zijn Koninkrijk komt.

 

Zo kunnen we de twee essentiële eigenschappen van dat Koninkrijk kennen. Het eerste is dat het langs het kruis gaat. Omdat Jezus zich helemaal geeft, kan Hij als Verrezene aan iedereen toebehoren en bij iedereen aanwezig zijn. In de heilige eucharistie ontvangen we de vrucht van de gestorven graankorrel, de vermenigvuldiging van de broden die doorgaat tot het op einde van de wereld en in alle tijden.

 

De tweede eigenschap zegt: zijn Koninkrijk is universeel. De oude hoop van Israël wordt vervuld: dit koningschap van David kent geen grenzen meer. Het strekt zich uit van de ene zee tot de andere – zoals de profeet Zacharja zegt –, het strekt zich uit over heel de wereld. Maar dat is slechts mogelijk omdat het niet het koninkrijk is van een politieke macht, maar uitsluitend gebaseerd is op vrije overgave aan de liefde – een liefde die een antwoord is op de liefde van Jezus Christus die zich voor iedereen gegeven heeft.

 

Ik denk dat we twee dingen steeds opnieuw moeten leren. Vooreerst de universaliteit, de katholiciteit. Dat betekent dat niemand zijn ik, zijn cultuur en zijn wereld mag verabsoluteren. Dat impliceert dat we ons allemaal van elkaar ontvangen door ons iets te ontzeggen dat van ons is. De universaliteit bevat het mysterie van het kruis – het feit zichzelf over te slaan, gehoorzaamheid aan het gemeenschappelijke woord van Jezus in de gemeenschappelijk Kerk. De universaliteit van de Kerk is steeds een zelfoverwinning op zichzelf, een verzaking aan iets persoonlijks. Universaliteit en kruis gaan samen. Alleen zo schept men vrede.

 

Het woord over de graankorrel die sterft maakt ook deel uit van Jezus’ antwoord aan de Grieken. Het is zijn antwoord. Maar daarna formuleert hij nogmaals de fundamentele wet van het menselijk bestaan: "Wie zijn leven bemint, verliest het; maar wie zijn leven in deze wereld haat, zal het ten eeuwige leven bewaren." Wie zijn leven voor zichzelf wil hebben, wie alleen voor zichzelf wil leven, alles tegen zich aandrukken en er alle mogelijkheden uit halen – dat is juist degene die zijn leven zal verliezen. Het wordt vervelend en leeg. Alleen door het verlaten van zichzelf, in de belangeloze gave van het ‘ik’ ten voordele van het ‘jij’, alleen in het ‘ja’ aan een groter leven, dat van God, wordt ook ons leven ruim en groot.

 

Dit fundamenteel principe van de Heer is uiteindelijk identiek aan het principe van de liefde. Want liefde betekent zichzelf verlaten, zich geven, zichzelf niet willen bezitten, maar vrij worden van zichzelf: niet terugplooien op zichzelf – wat zal ik worden? – maar vooruit kijken, naar de ander – naar God en de mensen die Hij naar mij stuurt.

 

En dit principe van de liefde die de weg van de mens bepaalt is op zijn beurt identiek aan het mysterie van het kruis, aan het mysterie van dood en verrijzenis dat we in Christus vinden.

 

Geliefde vrienden, het is misschien tamelijk gemakkelijk dit als een grote fundamentele levensvisie te aanvaarden. Maar in de concrete werkelijkheid gaat het niet gewoon om de erkenning van een principe, maar om het beleven van de waarheid ervan, de waarheid van het kruis en de verrijzenis. En nog eens, daartoe volstaat één enkele grote beslissing niet. Het is zeker belangrijk eens de grote fundamentele beslissing te wagen, het grote ‘ja’ te wagen dat de Heer ons op een zeker ogenblik van ons leven vraagt.

 

Maar het grote ‘ja’, het beslissende moment van ons leven – het ‘ja’ aan de waarheid waar tegenover de Heer ons plaatst – moet vervolgens dagelijks heroverd worden in de situaties van alledag waarin we steeds opnieuw ons ‘ik" moeten verlaten, ons beschikbaar stellen, terwijl we ons eigenlijk aan ons ‘ik’ zouden willen vastklampen. Een rechtschapen leven bestaat ook uit offer, onthechting. Wie leven belooft zonder die altijd nieuwe gave van zichzelf, bedriegt de mensen. Er bestaat geen geslaagd leven zonder opoffering. Als ik terugblik op mijn eigen leven, moet ik zeggen dat juist de momenten waarop ik ‘ja’ gezegd heb aan een onthechting, de grote en belangrijke ogenblikken van mijn leven geweest zijn.

 

In zijn verzameling van woorden van Jezus voor Palmzondag, heeft Johannes ook een gewijzigde vorm opgenomen van Jezus’ gebed in de hof van olijven. Vooreerst is er de uitspraak: "Mijn ziel is ontroerd." Hier verschijnt de angst, die uitvoerig geïllustreerd wordt door de drie andere evangelisten – Zijn angst voor de macht van de dood, voor heel de afgrond van het kwaad die Hij ziet en waarin Hij moet neerdalen. De Heer lijdt samen met ons aan onze angsten, Hij begeleidt ons door de ultieme angst tot aan het licht. En daarna volgen bij Johannes de twee vragen van Jezus: "Wat moet Ik zeggen? Vader red Mij uit dit uur?" Als mens voelt Jezus zich gedrongen te vragen dat Hij van de verschrikking van het lijden zou gespaard blijven.

 

Ook wij kunnen op die manier bidden. Ook wij kunnen voor de Heer klagen zoals Job en Hem de vragen voorleggen die in ons opkomen ten overstaan van de onrechtvaardigheid in de wereld en onze eigen moeilijkheden. Tegenover Hem, moeten wij ons niet terugtrekken in vrome woorden, in een kunstmatige wereld. Bidden betekent altijd ook strijden met God en zoals Jakob kunnen wij Hem zeggen: "ik laat u niet gaan, wanneer u mij niet zegent."

 

Maar de tweede vraag van Jezus komt daarna: "Vader, verheerlijk uw Naam!" Bij de synoptici wordt die vraag zo geformuleerd: "niet mijn wil, maar uw wil geschiede" Op het einde is de glorie van God, zijn heerschappij, zijn wil altijd belangrijker en waarachtiger dan mijn gedachte en mijn wil. En dat is het wezenlijke van ons gebed en ons leven: deze juiste ordening van de werkelijkheid leren, ze innerlijk aanvaarden; vertrouwen stellen in God en geloven dat wat Hij doet, juist is; dat zijn wil waarheid en liefde is; dat mijn leven goed wordt indien ik die ordening leer aankleven. Het leven, de dood en verrijzenis van Jezus zijn voor ons de garantie dat wij werkelijk vertrouwen kunnen stellen in God. Zo verwerkelijkt zich zijn Koninkrijk.


De commentaren zijn gesloten