24-03-11

Het levende water

3 careme A ev.jpgHet is een vergissing te menen dat het christelijk geloof alleen door mannen is verkondigd. In de evangelies wordt op veel plaatsen gesproken over vrouwen die in Jezus' leven een belangrijke rol hebben gespeeld. Om te beginnen natuurlijk zijn moeder, ook nog toen hij aan zijn publieke optreden was begonnen. Het Lucasevangelie (8,3) vertelt dat een aantal vrouwen Jezus op zijn tochten vergezelden en uit hun eigen middelen zorgden voor zijn levensonderhoud. Een van hen was Maria Magdalena, die later de titel apostola apostolorum, apostel van de apostelen heeft gekregen omdat zij de apostelen ervan overtuigd heeft dat de gestorven Jezus wel degelijk uit het graf was opgestaan. En dan was er de Samaritaanse vrouw die in het evangelie van vandaag uitgebreid aan het woord komt. In zekere zin de voorgangster van Maria Magdalena. Ambassadeur van Jezus.


Het verhaal van het evangelie zit vol verrassingen. Een vrouw die op het hete middaguur, onder de brandende zon, op haar eentje naar de bron komt om water te putten. Jezus die haar aanspreekt. Een Jood doet zoiets niet, een vreemde vrouw op een publieke plaats aanspreken. En nog wel een Samaritaanse. Rechtgeaarde Joden gaan niet om met Samaritanen. Hij doorbreekt maatschappelijke en religieuze grenzen. De vrouw wordt erdoor verrast, en ze zegt het ook. Vooral ook het gesprek dat zich tussen beiden ontspint zit vol verrassingen. En daar is het de evangelist om te doen.

 

De vrouw werd verrast door Jezus' antwoord op haar verbaasde reactie: een Jood die haar drinkwater vraagt. 'Als u wist wie ik ben, zou u mij om water vragen. Wie drinkt van het water dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen.' Natuurlijk vraagt de vrouw: geef me alstublieft dat water. Hoe zouden we zelf zijn, nooit meer door dorst geplaagd worden!

 

Maar ze had niet goed begrepen wat Jezus bedoelde. Hij geeft geen putwater, maar het levende water dat de gave van God is. Het water dat de diepste dorst van mensen naar het authentieke leven kan stillen.

 

Dat geldt ook voor ons. Als we wisten wat God wil geven, zouden Hem om het water vragen dat in ons binnenste een bron wordt waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.

 

'U bent een profeet' zegt de vrouw tegen Jezus als hij blijkt te weten dat ze al vijf mannen heeft versleten en dat de man die ze nu heeft haar echte man niet is. Ze begrijpt waar hij op doelt. Het gaat om de verering van de ware God, niet de valse goden die de Israëlieten achterna zijn gelopen. Ze geeft aan hun gesprek een totaal nieuwe wending dat de theologische toer opgaat.

 

Vereren de Samaritanen dan niet de ware God? Moeten ze hun aloude gebedsplaats op de berg hier opgeven, is Jeruzalem de enige plaats waar de ware God kan vereerd en aanbeden worden? Jezus vindt het geen goede vraag. Dat doet er niet toe, zegt hij. U weet toch dat God Geest is, en ooit zullen we hem aanbidden in geest en waarheid, waar dan ook. We hebben daar geen heilige berg of geen tempel voor nodig, geen basiliek van Koekelberg. Geen berg of tempel, geen kerk, geen volk of religieuze groepering heeft het monopolie van zijn aanwezigheid. Kerken en tempels zijn nuttig, maar we kunnen ze missen.

 

Als de Messias komt, zegt de vrouw, zal hij dat allemaal duidelijk maken. En nu krijgt het verhaal zijn beslissende omslag. Nog eerder en klaarder dan aan zijn apostelen openbaart Jezus haar zijn ware identiteit. 'U bent hier met de Messias aan het spreken.'
De vrouw gelooft hem. Ze weet wat haar te doen staat. Ze laat haar waterkruik achter en loopt snel terug naar de stad om de mensen te vertellen wat ze heeft beleefd. Ze liep snel naar de stad om het aan de mensen te gaan vertellen. Ze moet overtuigend gesproken hebben, want veel Samaritanen komen naar Jezus toe. Ze luisteren naar hem en velen en komen tot geloof. Zo heeft de vrouw een 'Jezusbeweging' op gang gebracht. De mensen zeggen tegen haar: nu we hem zelf aan het woord gehoord hebben, weten we het: hij is werkelijk de redder van de wereld. Deze geloofsbelijdenis is het orgelpunt van het verhaal.

 

Het verhaal doet de vraag rijzen welke kruiken christenen kunnen achterlaten als ze hun diepste dorst gestild weten.
Er zijn veel soorten dorst waardoor mensen gedreven worden. Fysieke dorst naar water, ook naar een sterkere drank, naar geld, naar macht, naar prestige, naar roem. Ze moeten hun kruiken altijd opnieuw vullen, want die dorst keert altijd terug. Ze raken verslaafd aan de middelen die hem kunnen lessen.

Christenen moeten zich kunnen bevrijden van zulke soorten dorst. De vastentijd is daarvoor de geschikte tijd. Wij weten wat God wil geven. Als we onze diepste dorst laten stillen, kunnen we veel kruiken missen. We hebben ze niet meer nodig. Dan wordt ons dorstig hart verzadigd met de Geest van de verrezen Christus. We worden zelf een bron van water dat eeuwig leven geeft en waarmee we ook de dorst van andere mensen kunnen lessen.

 

J. Andersen

http://preaching.t15.org/

 

22:38 Gepost door Wally in Homilieën | Permalink | Commentaren (0) | Email dit | Tags: evangelie, bibjbel, schrift, lezingen, homilieen, vasten, veertigdagentijd, liturgie, zondag, water | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten