11-11-09
Lamberigts: 'Mgr. De Smedt redde concilietekst over Joden'
LAMBERIGTS: ‘MGR. DE SMEDT REDDE CONCILIETEKST OVER JODEN’

ANTWERPEN (KerkNet) - Bijna vijftien jaar na zijn dood staat mgr. Emiel-Jozef De Smedt, van 1952 tot 1984 bisschop van Brugge, opnieuw in de belangstelling. Kerkhistoricus Mathijs Lamberigts dook in Vaticaanse archieven en ontdekte dat de bisschop een veel belangrijkere rol speelde in de totstandkoming van het conciliedocument over de joden (Nostra aetate 4), dan totnogtoe aangenomen werd. Hij onthulde een en ander tijdens een herdenkingscolloquium op 30 oktober in Brugge. Dat meldt KERK & leven.
(Kerknet)
De bijdrage van Mgr E. J. De Smedt aan Nostra Aetate, nr 4
Mathijs Lamberigts

INLEIDING
Zowel de verklaring over de godsdienstvrijheid (Dignitatis Humanae) als die over de interreligieuze dialoog (Nostra Aetate) behoren tot de meest baanbrekende documenten die het concilie plechtig heeft afgekondigd. De verklaring over de godsdienstvrijheid erkende uitdrukkelijk het recht op godsdienstvrijheid voor iedereen en dit in zoverre dit individueel (persoon) en gemeenschappelijk (Kerken) recht op vrijheid van godsdienst niet tegengesteld was aan het algemeen belang, een doorbraak van formaat voor ieder die terugdenkt aan de veroordelingen van liberale denkers als Lamennais in de 19de eeuw. Nostra Aetate mag gerust omschreven worden als een verklaring die breekt met een verleden van probleemloos gelijk, zeker ten overstaan van de niet-christelijke godsdiensten. Nostra Aetate, een document dat slechts met mondjesmaat wordt geïmplementeerd vandaag, is een eerlijke poging van de concilievaders om aan de gelovigen uit te leggen hoe men moet omgaan met de andere religies en deze uitleg wordt gepresenteerd op een open, uitnodigende, respectvolle wijze.
De rol van Mgr. De Smedt op het concilie in het algemeen en in de genese van het document over de godsdienstvrijheid is bekend. Bij de aanvang van het concilie laat hij zich kennen als een praktisch man. Het Belgisch College diende een nieuwe telefooncentrale te krijgen, tot dan had men slechts een centrale telefoonlijn, De Smedt zorgde dat ze er kwam en betaalde de rekening. Naar aanleiding van de samenstelling van lijsten voor de verkiezingen van de conciliaire commissies, een zaak waarin De Smedt zeer betrokken was, was er nood aan een deugdelijk kopieerapparaat. De Smedt zorgde dat het er op zijn eigen kosten kwam en de investering was de moeite waard. Het Belgisch College speelde in het overleg over de samenstelling van de lijsten voor de conciliaire commissies een cruciale rol, met De Smedt en Mgr. Heuschen (toenmalig hulpbisschop van Luik, de latere bisschop van Hasselt) in de hoofdrol. Dat het Belgisch College in verband met stencilapparaten kon bogen op enige expertise blijkt uit het recent uitgegeven dagboek van kardinaal Willebrands. Op 27 februari 1961 gaan Werner Quintens en Leo Declerck in opdracht van De Smedt op het Secretariaat voor de Eenheid informatie verschaffen over een Gestetner stencil machine.
De interventies van de redenaar De Smedt op het concilie zijn bekend. Met zijn felle uitval naar “clericalismus, triumphalismus et iuridismus” werd De Smedt een BV, een bekende Vaticanum II-deelnemer. Dankzij De Smedt vond het woord triomphalisme zijn weg in Le Petit Robert (ik heb het nog eens nagekeken, in Le Grand Robert, voor de letter T gedrukt in 1964, wat betekent dat men voor een werk van deze omvang al lang tevoren is klaar geweest, geen woord over triomfalisme. In Le Petit Robert, b.v. in de uitgave van 1979, p. 2022 lezen we: nouveau mot 1962: attitude d’un groupe (ou d’une personne) assuré d’avoir raison. « S’élever contre ce que Mgr de Smedt a appelé la trilogie du cléricalisme, du juridisme et du triomphalisme » (Le Monde, 4-12-1962).
De inzet van De Smedt voor het schema over de godsdienstvrijheid is reeds herhaaldelijk voorwerp van grondig onderzoek geweest en kan dus vandaag buiten beschouwing worden gelaten. Wel is het goed om nog even in herinnering te brengen waarom Mgr. De Smedt lid is geworden van het Secretariaat voor de Eenheid. Bij de oprichting van dit secretariaat in 1960 gaf zijn eerste president, kardinaal Bea, aan de eerste secretaris, Jan Willebrands, de vrijheid voor het samenstellen van dit secretariaat. Willebrands, voorzitter van de Willebrordvereniging in Nederland, een vereniging die zich inzette voor de oecumene, regelmatige gast van de Journées oecuméniques te Chevetogne en van de bijeenkomsten der Duitse katholieken aangaande oecumene, goed vertrouwd met de internationale katholieke oecumenische beweging, koos evident voor mensen uit deze milieus. Maar waarom De Smedt? Brugge stond toch niet bekend als een protestantse stad, ze protesteren er veel, maar dat is nog geen protestantisme. Het antwoord op deze vraag is te zoeken in de nood aan Belgische evenwichten, niet bij de economische kwaliteiten van De Smedt, die er zeker waren, maar in Rome kent men echt wel het verschil tussen economie en oecumene. In het secretariaat werd de Franstalige Belgische Dominicaan en theoloog Jérôme Hamer opgenomen, dus diende er ook een Nederlandstalige bij te komen. Willebrands had, wat de bisschoppen betreft, drie mogelijkheden: kardinaal Van Roey, Mgr. Calewaert van Gent en Mgr. De Smedt. Kardinaal Van Roey was zeer oud, 86, Mgr. Calewaert werd beschouwd als eerder behoudend, maar van De Smedt van Brugge had hij gehoord dat dit een zeer dynamische en nog jonge bisschop was en dus viel, middels de weg der eliminatie, de keuze op De Smedt.
Binnen het Secretariaat voor de Eenheid heeft De Smedt zich vanaf het eerste moment (cf. zijn bijdrage aan de ontmoeting in Fribourg van 29-30 december 1960) tot aan de plechtige afkondiging van het document op 7 december 1965 met grote overtuiging ingezet voor het document over de godsdienstvrijheid. Men kan zelfs spreken van een zekere identificatie met dit document, waarover hij soms zelfs sprak als “ons” document.
Wat niet of nauwelijks bekend is, is dat De Smedt ook een belangrijke bijdrage geleverd heeft tot het welslagen van de Verklaring over de houding van de Kerk ten opzichte van de niet-christelijke godsdiensten en met name in verband met nummer 4: de houding van de Rooms-katholieke Kerk ten overstaan van de Joden.
WAAROM EEN VERKLARING OVER DE JODEN?
De redenen waarom dit thema op de agenda van het concilie is gekomen zijn meervoudig. Op de eerste plaats moet hier paus Johannes XXIII vermeld worden. Tijdens zijn periode als apostolisch delegaat in Griekenland en Turkije had hij zich actief ingespannen om Joden te redden van de dodelijke deportatie naar concentratiekampen. Hij had een goede band met de jood Jules Isaac, een man die in de oorlog zijn familie had verloren, maar zich sterk had ingespannen om de contacten tussen joden en christenen te bevorderen. Op de tweede plaats moet de Duitse kardinaal Bea, de eerste president van het Secretariaat voor de Eenheid vermeld worden: als Duitser was hij van oordeel dat het concilie iets moest zeggen over de houding van de Kerk ten overstaan van de joden.
Bea zette het voorbereiden van een tekst over de joden op de agenda van het Secretariaat voor de Eenheid. Op een algemene vergadering van het secretariaat van 27 november tot 2 december 1961 ligt er een korte tekst in verband met de joden in de vorm van desiderata ter tafel: het is een soort van ontwerp van brain storming van wat er in een kort decreet over de joden op het concilie zou kunnen gezegd worden. Tijdens de discussie – en het is buitengewoon interessant te zien dat alle knelpunten zoals bijvoorbeeld het gevaar dat een tekst over de joden problemen zou kunnen opleveren gegeven de gespannen relatie tussen de Arabieren en de staat Israël, of ook de kwestie aangaande de verantwoordelijkheid van de joden voor de dood van Christus dan reeds onderkend worden – stelt men zich de vraag of over de kwestie van de joden ook iets zou moeten gezegd worden in de schemata over de Kerk en over de godsdienstvrijheid. Blijkbaar bestaat daarover eensgezindheid. Aan De Smedt werd opgedragen een kort votum in te voegen in het schema over de godsdienstvrijheid, wat de bisschop ook prompt deed onder nr. 5 van het schema De libertate religiosa. De Smedt’s invoeging luidde als volgt: “Om deze reden veroordeelt de katholieke Kerk discriminatie, onrecht, vervolging van mens en volk alleen maar omwille van oorsprong, kleur of bloed.” (Hac de causa Ecclesia catholica reprobat discriminationem, injuriam, persecutionem hominis vel gentis propter solam originem, solum colorem vel sanguinem) De tekst wordt inhoudelijk vrijwel zonder meer aanvaard, alleen zal men er ook de godsdienst aan toevoegen en het woord alleen weglaten. Tegelijk bleef De Smedt, samen met verschillende andere collega’s vasthouden aan de idee van een eigenstandige korte tekst over de joden. Bij de stemming hierover waren er 17 leden voor, 13 tegen. Er komt dus een tekst vanwege de subcommissie voor de joden en De Smedt is aanwezig op de vergadering waar die tekst wordt uitgewerkt.
Het verslag over de discussie, zoals gehouden op 28 november 1961 laat trouwens zien dat De Smedt reeds dan met aandacht de kwestie van de joden volgt en ook in de discussie tussen komt en uitdrukkelijk de vraag stelt wat er gebeurd is met het joodse volk dat Christus niet aanvaard heeft. Wat leert ons, zo vraagt De Smedt, het Nieuwe Testament in verband met de joden die Christus niet aanvaard hebben en die een nog niet hernieuwd Israël vormen? Het is een pertinente vraag die in het debat over de joden tot op het einde van het concilie zal blijven doorklinken.
Met de door het Secretariaat voor de Eenheid voorbereide tekst over de joden gebeurt er in eerste instantie niets. De centrale coördinatiecommissie, een commissie die de werkzaamheden van de andere commissies diende te coördineren, wenste zich niet te mengen in de hevige politieke discussies tussen de joden en de Arabieren.
III. DE IUDAEIS OP HET CONCILIE
Ook al bleef er van verschillende zijde het verlangen bestaan om op het concilie iets over de joden te zeggen, toch zou het duren tot de tweede sessie vooraleer er een tekst over de joden op tafel lag. Deze tekst vormde het vierde hoofdstuk van het schema over de oecumene maar voor een ernstige bespreking van de tekst diende gewacht te worden tot de derde sessie: op 28 september 1964 was het zover. Reeds op 25 september had kardinaal Bea zijn rapport voorgelezen, met andere woorden op het moment dat het debat over de godsdienstvrijheid nog gaande was. Belangrijk was ook dat het een Duitser was die dit document over de joden voorstelde. Het document had de uitdrukkelijke steun van de Duitse bisschoppen. Ook uit Amerikaanse hoek verwachtte men een positief en krachtig statement over de joden. Tijdens de debatten tekende zich al snel een meerderheid af die voor het schema was. Maar er was ook een niet-onbelangrijke tegenstand, met name van de kant van de Oosterse patriarchen en dit omwille van goede redenen. Zij achtten een tekst over de joden niet opportuun omwille van de politieke situatie in het Midden-Oosten, waar Arabische landen en de staat Israël op voet van oorlog stonden (in 1967 volgt trouwens de fameuze zesdaagse oorlog). Een positieve tekst over de joden kon politieke problemen veroorzaken en de situatie van de katholieke christenen in het Midden-Oosten, waar ze in diverse landen in de minderheid waren, in gevaar brengen. Men mag ook niet vergeten dat tussen de Palestijnen die, omwille van de oprichting van de staat Israël, alles verloren hadden, ook christenen waren.
Hoe dan ook, op 20 november werd over de op grond van de debatten van 28 tot 30 september gemaakte opmerkingen herwerkte verklaring over de houding van de Kerk ten overstaan van de niet-christelijke godsdiensten gestemd: 1.651 bisschoppen vonden de tekst goed, technisch heet dat placet, 99 vonden hem niet goed en 242 vonden hem goed als er nog enkele veranderingen zouden worden doorgevoerd. Je zou zeggen: dat ziet er goed uit. Maar zo werkt dat niet. Een van de karakteristieken van een oecumenisch concilie is precies dat men streeft naar unanimiteit of minstens een zo groot mogelijke consensus. Welnu, een kleine 20% heeft nog iets aan te merken op de tekst, wat, in het vergelijk met diverse andere documenten, nog vrij veel is.
Maar er was meer, ook al had kardinaal Bea gezegd dat de tekst alleen maar een religieus karakter bezat en niet politiek mocht worden misbruikt, toch was er protest. Op de eerste plaats kwam er reactie van de ambassades der Arabische landen: nog tijdens een recent congres over Willebrands kon men in een lezing van een Jood vernemen dat alleen de Arabieren om politieke redenen tegen deze tekst zouden zijn geweest, wat niet juist is. Ook de Oosterse patriarchen en bisschoppen waren tegen een verklaring over de joden, met name omdat ze, zoals hoger vermeld, vreesden hun vrijheid van godsdienst te verliezen. Bovendien had het bericht over de goedkeuring van de tekst geleid tot straatrellen in het Nabije Oosten. Het verzet van de patriarchen en bisschoppen had ook een oecumenisch motief: tegen de goedkeuring van de tekst was er sterke reactie gekomen van een aantal orthodoxe bisschoppen, monophysieten, niet-Chalcedoniaanse bisschoppen, Syrische en Koptische bisschoppen, christelijke denominaties die sterk gekenmerkt werden door een anti-joodse mentaliteit zoals dit duidelijk tot uitdrukking kwam in hun liturgische teksten (veel sterker dan in de westerse liturgie) die vaak teruggrijpen tot de 6de eeuw.
Ook de afwijzende houding van de conservatieve bisschoppen, verenigd in de Coetus Internationalis Patrum (een soort van lobby van conservatieve bisschoppen) bemoeilijkte de zaak. Een van hun leidende figuren, Mgr. Carli van Segni (Italië) bijvoorbeeld had een punt als hij stelde dat de tekst afweek van de traditionele leer, die namelijk hield dat de verantwoordelijkheid voor de dood van Christus, zoon van God, lag bij het gehele joodse volk tot op vandaag.
Het feit dat de verklaring over de Joden, gegeven de reacties in het Midden-Oosten, ook een politieke component had, maakte de positie van staatssecretaris Cicognani, tevens president van de coördinatiecommissie, zeer oncomfortabel. Als apostolisch delegaat had hij gedurende 25 jaar in de VS gewerkt: hij kende de positie van de Amerikaanse bisschoppen in deze materie. Zij waren pro. Als staatssecretaris wist hij dat zo een positieve tekst schade zou kunnen toebrengen aan de politieke betrekkingen tussen Rome en de Arabische landen.
Voorts moet gezegd dat ook joden, zowel in de VS als in Israël, zelf olie op het vuur goten door te stellen dat na de goedkeuring van de verklaring het Vaticaan de staat Israël zou erkennen. Kortom: een conciliaire meerderheid bij stemmingen is een ding, de politieke, kerkpolitieke context ter plaatse een ander.
In die context zat er voor het Secretariaat voor de Eenheid niets anders op dan enerzijds zoveel als mogelijk rekening te houden met de voorgestelde veranderingen bij de, vanuit democratisch standpunt massaal goedgekeurde tekst, anderzijds te beginnen aan een soort van pendeldiplomatie in het Midden-Oosten. Het eerste gebeurde in drie plenaire vergaderingen van het Secretariaat voor de Eenheid, respectievelijk in maart, mei en september 1965. De pendeldiplomatie gebeurde in de vorm van drie reizen, in maart, april en juli 1965.
Zowel in de plenaire vergadering van mei 1965 als in de derde reis naar het Midden-Oosten speelde Mgr. De Smedt een eersterangs rol.
Na de plenaire vergadering, gehouden van 1 tot 5 maart, kreeg Mgr. Willebrands de opdracht om naar het Midden-Oosten te gaan voor overleg met de Oosterse patriarchen verbonden met Rome en met de orthodoxe patriarchen en bisschoppen. Tijdens zijn eerste reis, van 18 tot 23 maart, bezocht Willebrands de Oosterse patriarchen en bisschoppen, verbonden met Rome maar ook niet-katholieke patriarchen en bisschoppen in Beiroet, Antiochië en Damascus, tijdens de tweede reis, van 23 tot 30 april, in Jeruzalem, Kaïro en Addis-Abeba. Veelal kreeg hij, ofschoon soms in verschillende verpakkingen, hetzelfde te horen: deze verklaring is niet opportuun. De Arabieren en Joden staan op voet van oorlog. De christenen in het Midden-Oosten zijn niet klaar voor zulke verklaring. De verklaring heeft hier onrust en zelfs straatrellen veroorzaakt. Onze gelovigen voelen zich bedreigd. Onze relaties met de orthodoxe kerken zullen onder druk komen staan. Hun liturgische teksten zijn niet in overeenstemming met wat men in de verklaring kan lezen. Wat men trouwens in de tekst over de Islam zei, strookt generlei wijze met wat men op het terrein ziet gebeuren, of zoals de maronitische patriarch, Meouchi zei: “Leur vie est plutôt animale et fait scandale, malgré le bon exemple des chrétiens... ". Hoe zouden trouwens de christenen ter plaatse, vaak slachtoffer van vervolgingen door Islamieten, kunnen begrijpen dat het concilie nu plots positief zou gaan staan tegenover hen. Het advies dat Willebrands meekreeg was dan ook de verklaring te onttrekken aan het concilie en ze toe te vertrouwen aan de paus. Indien dat niet mogelijk was, dan zou men zich dienen te beperken tot een verklaring in zeer vage en algemene bewoordingen, zonder in detail te treden. Zo een verklaring kon dan bijvoorbeeld een algemene veroordeling inhouden van racisme en antisemitisme, hetzij in een ander document, hetzij in het over de Kerk in de wereld van vandaag (Gaudium et Spes).
Evident dat ook de niet-katholieke bisschoppen in het Midden-Oosten niet zeer enthousiast waren over de verklaring. Hoe kon men aan de gelovigen van de Armeens-orthodoxe kerk uitleggen dat er op het concilie wel gesproken werd over de vervolging van de Joden, maar niet over die van andere volkeren zoals de Armeniërs, te meer daar deze laatsten wel christenen waren.
Ondertussen liet de paus aan Bea weten dat het gerucht ging dat de invloedrijke Melkitische patriarch Maximos IV Saigh van plan was het concilie te verlaten indien de tekst alsnog zou worden goedgekeurd. Nu moet U weten dat deze oude man met zijn tussenkomsten in het Frans op het concilie een groot moreel gezag had verworven, de internationale pers had gehaald en dus iets betekende. Paulus VI had dan ook liever geen verklaring dan een wegloper.
Deze duidelijke afwijzing van een verklaring over de joden in het Midden-Oosten maakt het licht begrijpelijk dat Willebrands zowel in zijn rapporten als tijdens de plenaire vergadering in mei 1965 voorstelde om wijzigingen in de tekst te brengen of de zaak terug te trekken van de conciliaire agenda. Het was misschien beter de kwestie toe te vertrouwen aan het Secretariaat voor de Eenheid en het Secretariaat voor de Betrekkingen met de niet-christelijke godsdiensten, een voorstel dat minstens in het Midden-Oosten instemming kon wegdragen. Tegelijk was Willebrands zich bewust van het feit dat de publieke opinie en de houding van vele bisschoppen in Europa en de VS zulke beslissing zeer moeilijk om niet te zeggen onmogelijk maakte. Bea wilde van zo een voorstel niet weten en eiste uitdrukkelijk dat Willebrands aan de plenaire vergadering van de commissie zou duidelijk maken dat hij in eigen naam sprak.
Het is in die condities dat het Secretariaat voor de Eenheid bijeenkomt van 9 tot 15 mei 1965 en van 12 tot 14 mei zal spreken over de tekst. Op 12 mei begint de discussie. Willebrands rapporteert over zijn reis. Bea vat nog eens de problemen en mogelijke oplossingen samen: de tekst amenderen; de tekst terugtrekken en aan de twee secretariaten geven; alles in handen leggen van de paus; een zeer algemene verklaring over de principes van de Kerk in haar relatie tot de niet christelijke godsdiensten, zonder details te geven.
Kardinaal Heenan van Westminster (Engeland) komt als eerste tussen om te zeggen dat men geen schrik moet hebben, de tekst, inclusief de term “deicidium” (godsmoord, waarvan dan die joden die niet rechtstreeks betrokken waren bij de dood van Jezus, werden vrijgesproken, zowel toen als vandaag) goed te keuren. Hij besluit met te zeggen dat hij niet onder de indruk is van het dreigement van Maximos dat die het concilie zal verlaten als er een eventuele promulgatie van de tekst zou komen.
Onmiddellijk hierop neemt De Smedt het woord: hij benadrukt dat de tekst goed is en niemand kwetst. Hij moet dus zeker goedgekeurd worden, met name omdat hij reeds een grote meerderheid pro heeft meegekregen. Hij vindt zulke goedkeuring nodig omdat het gaat om de eer van de Kerk en om het vertrouwen dat de wereld in het concilie stelt. Hij brengt ook in herinnering dat zo een tekst nodig is om de nagedachtenis van Pius XII in ere te houden en verwijst hierbij naar het toneelstuk Der Stellvertreter van Rolf Hochhuth, een zware aanval op Pius XII omwille van zijn stilzwijgen in verband met de Jodenvervolging. Hij stelt ook dat het gaat om het prestige van Paulus VI in het geding is. Hij benadrukt dat men uit respect voor de katholieke en orthodoxe oosterse collega’s moet vermijden een tekst te proclameren die problemen veroorzaakt voor beider betrekkingen. Niet alleen acht De Smedt het nodig dat de oosterse medebroeders hun liturgische teksten bij de tijd brengen, ook vindt hij dat men omwille van oecumenische redenen best de term “deicidium” laat vallen. De Smedt doet ook een voorstel tot toevoeging in de tekst om nog duidelijker te wijzen op het feit dat de tekst geen politieke bedoelingen heeft. De Smedt insisteert dat men via de ambassades, de nuntiaturen en de Wereldraad der Kerken een informatiecampagne moet voeren om de bedoelingen van de verklaring duidelijk te maken. Hij suggereert ook om de wereldopinie te mobiliseren tegen een eventuele vervolging der christenen in Islamitische landen, ook al denkt hij dat zulke vervolging weinig waarschijnlijk is, de rust lijkt immers teruggekeerd in het Midden-Oosten. De Smedt besluit met te zeggen dat hij niet akkoord is met Heenan als die stelt dat men zich niets van de dreigementen van Maximos moet aantrekken. Ietwat pathetisch roept hij op om moed te hebben zoals tijdens Wereldoorlog II de kardinalen von Galen (Münster), von Faulhaber (München), De Jong (Utrecht) en Van Roey (Mechelen) die zich allen verzetten tegen de gruwel van het nazisme. In elk geval moet men Paulus VI niet alleen laten in het nemen van zijn verantwoordelijkheid. Op het einde van de dag – De Smedt sprak zowel in de voor- als in de namiddag - kondigt Bea aan dat de volgende morgen een nieuwe tekst zal worden voorgelegd voor het geval de Declaratio niet zou worden goedgekeurd.
De volgende morgen, 13 mei, gaat de discussie verder. De sfeer is aan het verzuren. Er wordt gestemd over het weglaten van het woord “deicidium”: 9 leden stemmen voor het behoud, 15 willen het woord laten vallen. De vereiste 2/3de meerderheid wordt met één stem verschil niet bereikt. ’s Avonds komt men nog eens op de kwestie terug, en omwille van het verloop van de discussies, is er dan een meerderheid (17 tegen 6) voor de weglating van deicidium (één van de voorstellen van De Smedt). De Smedt’s voorstel om nog uitdrukkelijker te zeggen dat de verklaring geen politieke motieven heeft wordt, in licht gewijzigde vorm, unaniem geaccepteerd.
Ook bij de bespreking van de door de paus ingediende amendementen blijkt De Smedt een actieve participant te zijn, waarbij hij sommige voorstellen van de paus steunt, tegen andere zich uitdrukkelijk maar op een constructieve wijze verzet. Zelfs als hij zich constructief verzet, krijgt hij een meerderheid van het secretariaat mee.
Ofschoon alles de goede kant lijkt uit te gaan, is De Smedt toch nog niet gerust, want dezelfde dag werkt hij aan een "Propositio" voor het geval de verklaring niet zou kunnen worden afgekondigd. In de inleiding van zijn voorstel zegt De Smedt dat het mogelijk is dat de mensen nog niet klaar zijn voor een tekst over de joden en ook dat de spanningen in het Midden Oosten er voor kunnen zorgen dat men de verklaring niet leest in religieuze, maar politieke zin en dat men dus aan het concilie intenties zou kunnen toeschrijven die niet bedoeld zijn. Vermits sommigen voor de afkondiging van de tekst zijn, anderen de zaak in handen van de twee secretariaten willen geven, worden er twee vragen gesteld: moet de tekst na de definitieve stemming naar de twee secretariaten worden gestuurd om daar als norm te worden gehanteerd voor een eventuele latere publicatie of moeten wij een tekst voorbereiden met eerder algemene richtlijnen, twee vragen die goed corresponderen met de rapporten van Willebrands over de positie van de patriarchen uit het Nabije Oosten. Dit voorstel wordt, samen met een alternatief van Bea, uitgedeeld om op 14 mei eventueel besproken te worden.
Die dag legt De Smedt zijn voorstel uit: het is alleen maar bedoeld voor het geval dat door omstandigheden buiten onze wil de verklaring er niet zou komen. Dan zou zijn voorstel officieel moeten worden goedgekeurd door het concilie en kan het later richtlijn zijn voor ons secretariaat. Alleszins moet het concilie discussiëren over de verklaring zoals ze nu voorligt, niet over een afgekookte versie van de tekst. Immers, de problemen rond de verklaring gaan niet zozeer over de inhoud van de tekst maar over de begeleidende omstandigheden. Ook al om oecumenische redenen kan men de tekst als zodanig niet laten vallen. Kortom, De Smedt biedt een vangnet aan voor het geval de zaak zou mislopen en bewijst met dit voorstel dat hij een man van het verstandig compromis wil zijn.
De discussie van 14 mei loopt echter stilaan uit in de richting van het laten stemmen van de bestaande verklaring door het concilie, terwijl men tegelijkertijd in Oost en West de geesten gaat bewerken om deze verklaring wel te aanvaarden, dit wil zeggen, in het Oosten mensen overtuigen om de tekst in zijn gewijzigde vorm te aanvaarden, in het Westen mensen overtuigen om deze enigszins afgezwakte vorm – wij hebben elders aangetoond dat de veranderingen veel minder dramatisch zijn dan men soms beweert – toch te aanvaarden.
Om de Oosterse patriarchen en bisschoppen te gaan “bewerken” wordt er besloten om een nieuwe reis naar het Midden-Oosten te maken. De delegatie bestaat uit drie personen: Willebrands, De Smedt en Duprey. De reis zal doorgang vinden van 18 tot 24 juli 1965.
IV. DE REIS NAAR HET MIDDEN OOSTEN
Voor de details over de zorgvuldige voorbereiding van de reis naar het Midden-Oosten verwijzen wij de geïnteresseerden naar onze bijdrage in het komende nummer (december 2009) van Ephemerides Theologicae Lovanienses, waar wij recent ontdekt bronnenmateriaal zullen publiceren. Dat de reis definitief doorgang vindt, blijkt pas duidelijk te zijn op 2 juli tijdens een onderhoud tussen Willebrands en Bea. De samenstelling van de delegatie wordt pas op 8 juli officieel (wij kunnen ons moeilijk voorstellen dat Mgr De Smedt daar tot dan niets over geweten heeft, maar hij heeft daar blijkbaar nooit aan iemand iets over verteld, bewijs dat hij ook een discrete man was). Op 10 juli tekent Staatssecretaris Cicognani een officiële brief voor de patriarchen met de mededeling dat De Smedt, Willebrands en Duprey hen komen bezoeken om de herwerkte tekst te bespreken. Het gaat om de Melkitische patriarch Maximos, de Maronitische patriarch Meouchi, de Syrisch-katholieke patriarch Tappouni, de Latijnse patriarch Gori, Sidarouss, patriarch der Koptische katholieken van Alexandrië, de Armeens-katholieke patriarch Batanian. De Smedt zelf wordt op 9 juli aangeschreven door Willebrands die hem het reisplan uiteenzet, de tekst van de verklaring bezorgt evenals het verslag van de laatste bijeenkomst van het secretariaat en, niet onbelangrijk, zegt waar men gaat logeren. Willebrands besluit zijn brief met een citaat van de paus die aan Willebrands zei: “Van deze paragraaf (nr. 4) hangt het concilie af”. Men zou van minder onder de indruk geraken. De Smedt vertrekt op 18 juli naar Beyrouth – op 16 juli werd een perscommuniqué uitgegeven waarin De Smedt meldde dat hij voor een tiental dagen naar Rome ging ter voorbereiding van de vierde sessie, een teken dat men de reis zo geheim mogelijk wilde houden - waar hij wordt opgewacht door Willebrands en Duprey, die reeds op 16 juli patriarch Athenagoras hadden bezocht in Istanbul om diens steun voor de verklaring te vragen en te krijgen.
Waarom werd De Smedt aangeduid als lid van deze delegatie? De archieven zwijgen hierover voorlopig. Onze hypothese is dat de wijze waarop De Smedt heeft meegewerkt tijdens de vergaderingen in mei in de keuze heeft meegespeeld. De Smedt had zich wijs, pragmatisch, gematigd opgesteld en verschillende van zijn voorstellen hadden het gehaald. Bovendien is Frans de internationale taal waarin bijvoorbeeld Maximos IV zich pleegde uit te drukken, en de kennis van De Smedt van deze taal was uitstekend. De Smedt was bovendien vice-president van het secretariaat. Hij was bekend van zijn speeches als concilievader en als rapporteur in verband met de godsdienstvrijheid. Wie heeft hem voorgesteld? Wellicht Willebrands: regelmatig wordt er in de recent door Leo Declerck uitgegeven “Agendas conciliaires de Mgr. J. Willebrands" melding gemaakt van De Smedt: Willebrands bezorgt De Smedt informatie over wat er in de coördinatiecommissie wordt besloten; Willebrands belt De Smedt op om kwesties te bespreken; De Smedt bezorgt reeds in 1961 het slecht uitgeruste secretariaat een kopieerapparaat en betaalt zelf de rekening; De Smedt pleegt overleg met Willebrands alvorens een interventie te houden op het concilie (cf. deze interventie over De Ecclesia op 18 oktober 1963 wordt op zondag 13 oktober in de voormiddag besproken met Willebrands om 11.30; wellicht gevolgd door een maaltijd, want het onderhoud ging door op het Belgisch College; ook overleg in verband met De Smedt’s interventie over belang van de leken, nu op zondag 20 oktober 1963; op 11 mei 1965, de dag voor De Smedt’s interventie, is er overleg met Willebrands geweest enz.). Dat beiden dezelfde taal spraken was ook al een voordeel. Willebrands kwam logeren bij De Smedt en gaf op zondag 11 april 1965 een lezing in Brugge en volgens de agenda van Willebrands is er tijdens dit bezoek heel wat gedineerd (geheime bronnen melden dat er bij Mgr. De Keyzer topwijnen geserveerd werden; U begrijpt dat, gegeven de internationaal vastgelegde regels, zelfs deze details nog niet kunnen vrij gegeven worden). Ze waren duidelijk bevriend.
Over deze officiële en belangrijke reis van de Willebrands, De Smedt en Duprey is er een gedetailleerd verslag bewaard in het Archivio Segreto Vaticano in Rome (ASV Conc. Vat. II, 1459). Het verslag maakt duidelijk dat Willebrands en De Smedt werken als een team: bij het bezoek aan kardinaal Meouchi, patriarch van de Maronieten, is het Willebrands die de brief overhandigt van Cicognani, De Smedt die toelichting geeft bij de herwerkte verklaring. Men legt uit waarom de bisschoppen van het Secretariaat voor de Eenheid niet zijn ingegaan op het verzoek van de Oosterse vaders om de tekst terug te trekken of toe te vertrouwen aan de twee secretariaten met het oog op een publicatie na het concilie “tempore opportuno”. Wel heeft men de amendementen zorgvuldig bestudeerd, rekening gehouden met voorstellen, het woord deicidium laten vallen evenals alle termen die een politieke interpretatie zouden mogelijk maken. De delegatie benadrukt dat het secretariaat alles heeft gedaan om enerzijds de goedkeuring van de verklaring door het concilie op 20 november 1964 te respecteren, anderzijds rekening te houden met de voorstellen tot veranderingen zonder de tekst zodanig te veranderen dat men hem zou kunnen wegstemmen omdat hij inhoudelijk te grondig veranderd zou zijn.
De Oosterse bisschoppen worden ook op de hoogte gebracht van het feit dat Willebrands contact heeft gehad met de secretaris-generaal van de Wereldraad der Kerken, Visser ’t Hooft (in Geneve) en met metropoliet Chrysostomus van Myra in Constantinopel en dat beide positief stonden tegenover een verklaring van het concilie: het concilie kan zich in deze geen gezichtsverlies veroorloven, want de wereld verwacht zo een verklaring. Het patriarchaat in Constantinopel was zelfs bereid een artikel te publiceren om de verklaring te ondersteunen. Men maakt de patriarchen ook duidelijk dat men, met expliciete steun van de paus, nog meer en beter informatie gaat verschaffen aan de islamitische wereld en dat men dit zal doen in het Arabisch, waarvoor de informatiedienst te Rome zal versterkt worden. Ook zullen de ambassades van de Arabische staten gecontacteerd worden. Tevens vraagt men suggesties van de patriarchen om de tekst te doen passeren op het concilie zonder onaangename reacties.
De aanpak lijkt te werken : Meouchi belooft een brief te sturen aan Cicognani om zijn grote appreciatie voor de nieuwe tekst uit te drukken, iets waarvoor De Smedt uitdrukkelijk dankt. Eenzelfde verhaal bij Maximos IV: na lezing van de herwerkte tekst slaat de houding om en zegt Maximos dat hij nog enkele opmerkingen heeft, maar zijn indruk is positief (ik bespaar U de details der veranderingen), ook al blijft hij van oordeel dat het concilie zich niet moet opwerpen als de verdediger der joden. Overleg wordt gepleegd over de wijze hoe men informatie kan verstrekken in de Arabische landen en in islamitische milieus om de publieke opinie te kunnen bewerken. In alle geval is men tot hulp bereid en het is, blijkens het rapport, een grote geruststelling dat Maximos IV op geen enkel moment dreigt het concilie te verlaten. Eenzelfde verhaal bij Batanian. Ook Tappouni wil, na lezing van de herwerkte tekst, meestappen in het verhaal ook al vraagt hij uitdrukkelijk dat men duidelijk maakt dat deze verklaring een pastoraal karakter heeft en niet te situeren valt op het dogmatisch niveau.
Minder comfortabel is het bezoek bij de Latijnse patriarch in Jeruzalem, Gori, die onmiddellijk opmerkt dat men hem in Rome niet ernstig heeft genomen, want op een brief aan Bea om de tekst van maart te krijgen, is geen antwoord gekomen, iets wat blijkbaar niet juist is, want Willebrands heeft die tekst tijdens een vorig bezoek in april wel aan hem gegeven. Na lectuur blijkt de stemming om te slaan en geeft men toe dat de tekst meer aanvaardbaar is dan de vorige. Zoals bij alle andere patriarchen, wordt de idee van een informatiedienst voor de Arabische landen goed onthaald. Tijdens het bezoek bij Sidarouss krijgt de delegatie te horen dat president Nasser van Egypte zich zou uitgesproken hebben tegen zulke tekst, dat de tekst oecumenisch problemen geeft en dat men zich afvraagt wat deze verklaring toevoegt aan de katholieke waarheid. Bij alle waardering voor de nieuwe tekst lijkt Sidarouss toch niet zeer bereid om hem van harte te steunen, met name omwille van schrik voor reacties in de Arabische wereld en omdat de tekst blijkbaar nog niet ver genoeg is gegaan in de toegevingen.
Hoe dan ook, de delegatie komt met een positief rapport naar huis: er is bereidheid van de patriarchen om de zaak te steunen, zij het bij de ene al wat meer dan bij de andere. Zeker, enkele wijzigingen zouden nog moeten mogelijk zijn zonder aan de inhoud te raken. Bovendien blijkt de idee van een informatiedienst uitstekend ontvangen te zijn.
Het Secretariaat voor de Eenheid komt opnieuw samen op 15 september en het is De Smedt die daar wijst op het feit dat de herwerkte tekst goed is ontvangen, ook al zijn de patriarchen zeer beducht voor wat de publieke opinie zal denken. Een goed deel der patriarchen is alleszins bereid om de zaak te verdedigen, uit te leggen en te ondersteunen. Gevolg is dat de meeste van de voorgestelde wijzigingen van de patriarchen probleemloos worden aanvaard.
Vanaf dan is de rol van De Smedt in dit dossier af en ondanks een laatste offensief van de Coetus Internationalis Patrum wordt de tekst in zijn geheel goed gekeurd met een ruime meerderheid. Op 28 oktober wordt hij plechtig gepromulgeerd met een overweldigende meerdheid van 95% en zal hij het referentiepunt worden voor de katholieke inbreng in de interreligieuze dialoog, met dank aan Mgr. De Smedt.
V. TOT BESLUIT
In dit kort bestek hebben wij niet gesproken over de extreem ingewikkelde genesegeschiedenis waar bij wijze van spreken over elk woord eindeloos gediscussieerd is (onderzoek naar die genese is tot op vandaag broodnodig als men wil voorkomen dat conciliaire teksten zonder voorkennis van zaken naar de eigen hand worden gezet). Men heeft het vandaag vaak over de relevantie van de Kerk voor de wereld: Nostra Aetate is een tekst die, blijkens de massale interesse van de pers, van de diplomatie, de intensieve werkzaamheden van de kerkelijke diplomatie, de paus en de staatssecretaris te maken had en heeft met de core business van de Kerk in de wereld. Wij willen hier duidelijk zijn: de problemen die wij kennen met de volgelingen van Lefèbvre zoals bisschop Williamson gaan niet over de liturgie, maar over de ontkenning van de Holocaust. Williamson wijst met andere woorden Nostra Aetate af, een concilietekst die massaal is goedgekeurd door de wereldkerk. Nostra Aetate is ook een goed voorbeeld van een concilietekst die niet zozeer omwille van de inhoud maar omwille van de contexten gevoelig lag. Diplomatiek handelen was in deze dan ook van uiterst groot belang. Voor zulke dingen kon men perfect terecht bij Mgr. De Smedt, man van de Kerk – zijn bekommernis om Paulus VI in bescherming te nemen is hiervan een uitstekend bewijs -, man van de wereld, man van overleg, man van de daad. Het concilie heeft niet alleen baat gehad bij de aanwezigheid van grote theologen, maar ook van ondernemende bisschoppen met een grote talenkennis en zin voor tactiek: kwaliteiten die De Smedt, praktisch-pragmatische man, in grote mate bezat. Het is goed om dit vandaag, bij de honderdste verjaardag van zijn geboorte, in herinnering te brengen.
M. Lamberigts
L. Declerck
P.S. Een meer uitgebreid artikel over deze kwestie wordt gepubliceerd in het tijdschrift Collationes, jaargang 2010.
| Naar Nederlandstalige vertaling van ‘Nostra Aetate’ |
| Naar KERK & leven |
| Naar inbreng herdenkingscolloquium op 30 oktober in Brugge |
03:36 Gepost door Wally in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) | Email dit | Tags: brugge, bisschoppen, vaticaan, joden, archief, emiel-jozef de smedt, kerkhistoricus, mathijs lamberigts, notra aetate |
|
del.icio.us |
|
Digg |
Facebook |








Post een commentaar
NB: commentaren worden gemodereerd op deze weblog